Van Eeckhoutte ICT/IE advocaten - ICT/IP lawyers Van Eeckhoutte Advocatuur staat voor Adviseren Procederen Contracteren. Van Eeckhoutte is een succesvol, creatief advocatenkantoor, gespecialiseerd in ICT- Internetrecht, Intellectuele Rechten en Corporate zaken. ICT/IE-advocaat Van Eeckhoutte adviseert, bemiddelt en procedeert voornamelijk voor het MKB, IT-bedrijven, telecomindustrie, producenten en uitgevers en kan daarbij bogen op ruime ervaring en up-to-date kennis. Van Eeckhoutte is gevestigd in Amersfoort met correspondent advocatenkantoren wereldwijd en bedient cliënten in binnen- en buitenland.


 

Bestuurdersaansprakelijkheid

Volgens het Burgerlijk Wetboek is een rechtspersoon voor wat het vermogensrecht betreft gelijk aan natuurlijke personen, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Een rechtspersoon heeft rechten en verplichtingen en heeft een eigen, afgescheiden vermogen. Deze rechten kan zij afdwingen zoals een natuurlijke persoon dat ook kan, en aan de plichten kan zij worden gehouden. Een rechtspersoon kan echter zelf geen (feitelijke) handelingen verrichten. Daarvoor is altijd de tussenkomst van (uiteindelijk) natuurlijke personen vereist.

De wet en de statuten van de rechtspersoon bepalen wie er primair met de taak van het handelen namens de rechtspersoon is belast, en wie de vennootschap kan vertegenwoordigen. Dat is het bestuur van de rechtspersoon en, voor wat het laatste betreft ook in beginsel iedere bestuurder.

Doorgaans is het bestuur van de rechtspersoon verantwoordelijk voor de handelingen voor en namens de rechtspersoon en correct verloop van de interne procedures en besluitvorming die aan een handeling voorafgaan. De wet bevat een aantal bepalingen die specifieke verplichtingen aan het bestuur opdragen. Ook de statuten kunnen bepalingen bevatten die de bevoegdheden en verplichting van het bestuur uitbreiden of beperken. Daarnaast is ook in de rechtspraak nadere invulling aan de inhoud van de bestuurstaak gegeven.

Zij die rechtshandelingen plegen namens de rechtspersoon verbinden in beginsel dus niet zichzelf maar de rechtspersoon die zij besturen. Toch kan uit die handelingen een aansprakelijkheid van die bestuurder in persoon voortvloeien. Er is dan sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. De term bestuurdersaansprakelijkheid wordt gebruikt voor twee, op zichzelf verschillende vormen van aansprakelijkheid.

Interne en externe aansprakelijkheid van bestuurders

De eerste is de interne aansprakelijkheid. Dat is de aansprakelijkheid die voortvloeit uit de relatie die de bestuurder heeft met de rechtspersoon en de verplichtingen die de bestuurder uit dien hoofde jegens de vennootschap heeft. Wanneer de bestuurder met zijn handelen de vennootschap schade berokkent, is hij daarvoor onder omstandigheden aansprakelijk.

De tweede vorm van aansprakelijkheid is de externe aansprakelijkheid. De bestuurder is dan veelal naast de rechtspersoon aansprakelijk jegens derden voor schade die zij lijden als gevolg van het handelen van de bestuurder.

In het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Dit is een heel breed toepasbaar artikel: er hoeft geen sprake te zijn van enige functionele of contractuele relatie. Daar staat wel tegenover dat het in het algemeen niet eenvoudig is te bewijzen dat er sprake is van een onrechtmatige daad.

Een benadeelde crediteur kan proberen de actie uit artikel 2:9 BW te combineren met een actie uit onrechtmatige daad (6:162 BW). Dit kan echter alleen indien de wanprestatie van de tegenpartij t.o.v. de derde was gericht op benadeling van de benadeelde crediteur!

Een andere manier om de aansprakelijke bestuurder te betrekken is door het leggen van executoriaal derdenbeslag onder de tegenpartij met een vonnis (de grosse). Na het leggen van dat beslag zal de debiteur onder meer moeten verklaren of zij al dan niet iets aan een derde verschuldigd is of zal worden. Overigens werken de meeste debiteuren niet mee aan het aanleggen van een dergelijke verklaring. In geval vermoed wordt dat in strijd met de waarheid wordt verklaard kan de benadeelde crediteur een procedure tegen de debiteur voeren over de vraag of deze laatste iets aan een derde verschuldigd is uit hoofde van haar onbehoorlijke taakvervulling.

In het geval van externe aansprakelijkheid is de bestuurder veelal naast de rechtspersoon aansprakelijk jegens derden voor schade die zij lijden als gevolg van het handelen van de bestuurder. Er zijn twee manieren om de handelende bestuurder van een rechtspersoon persoonlijk aan te spreken voor zijn handelen ten opzichte van derden die in contact treden of komen met rechtspersoon te weten:
1. doorbraak; en
2. oneigenlijke doorbraak.

Van doorbraak is sprake indien een schuldenaar door de bestuurder werd misbruikt, louter en alleen om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen.

Artikel 2:11 BW omvat een bepaling die 'door de rechtspersoon heenkijkt' en de handelende persoon vereenzelvigt c.q. gelijkstelt met de rechtspersoon. Op grond van dat artikel berust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Rechtvaardiging hiervoor dient te worden gezocht in de 'redelijkheid en billijkheid'. Het zou rechtens onaanvaardbaar zijn het identiteitsverschil in zulke gevallen te handhaven.

Van oneigenlijke doorbraak is sprake wanneer een bestuurder wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor het niet nakomen door een schuldenaar van zijn verplichtingen. Dit wordt de handelende bestuurder aangerekend als een onrechtmatige daad. Aan persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van de rechtspersoon op grond van onrechtmatige daad worden echter zeer zware eisen gesteld. De bestuurder moet zelf namelijk ook een ernstig verwijt van het onrechtmatig handelen van de schuldenaar kunnen worden gemaakt. De bestuurder moet ook zelf hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij naar verkeersnormen persoonlijk jegens de schuldeiser in acht had moeten nemen. De feiten en omstandigheden van het geval zijn steeds doorslaggevend. Er zal bijv. moeten worden aangetoond dat de bestuurder handelde in strijd met de zorgvuldigheid die hij persoonlijk jegens de schuldeiser in acht behoort te nemen.

Gelukkig geeft de wet i.c. een vermoeden van aansprakelijkheid. In geval van faillissement is in artikel 2:248 lid 1 BW bepaald dat iedere bestuurder jegens de boedel aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De wet vermoed dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling als er geen boekhouding is bijgehouden (artikel 2:10 BW) of als de jaarrekening niet tijdig is gepubliceerd (artikel 2:394 BW). In dit geval wordt de bewijslast omgedraaid: de bestuurder is aansprakelijk, behoudens tegenbewijs.

Een bestuurder kan dus op grond van zijn eigen onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor door de schuldenaar onbetaald gelaten schulden uit rechtshandelingen. Hieronder vallen bijv. het al te lichtvaardig ten name van de rechtspersoon schulden aangaan, het ten onrechte kredietwaardigheid van de rechtspersoon voorwenden of betaling van schuldeisers belemmeren, verhinderen of welbewust zonder geldig reden weigeren.

Rechtspraak wijst ondermeer uit dat deze persoonlijke aansprakelijkheid alleen intreedt indien de bestuurder bij het aangaan van de schuld al weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen zal kunnen. Voorts kan uit rechtspraak worden afgeleid dat ook een moedervennootschap onder omstandigheden onrechtmatig jegens de schuldeiser handelt, als zij toelaat dat haar dochter/schuldenaar nieuwe schulden aangaat terwijl zij weet of behoort te begrijpen dat de schuldeiser geen of onvoldoende verhaal zal vinden. Vaak heeft de moeder de dochter ook (met zekerheden) gefinancierd, en in welk verband de handtekening van de bestuurder onder het contract tussen de schuldenaar en schuldeiser een rol kan spelen. Echter, bewijs van het feit dat de bestuurder ten tijde van het aangaan van de overeenkomst al wist of redelijkerwijze moest weten dat de schuldenaar niet zou kunnen nakomen, is niet eenvoudig, maar kan bijv. worden geleverd indien er sprake is geweest van het wekken van een schijn van kredietwaardigheid. In rechtspraak is de bewijslast van de gedupeerde aanmerkelijk verlicht. Er kunnen zich volgens de Hoge Raad gevallen voordoen waarin uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast ten laste van zo'n zeggenschapsverhouding wordt omgekeerd.

(lit.: Schilfgaarde, Reitsma, kortmann, Faber; Jur.: o.a. Alberda Jelgersma, vd Vliet, Romme-Bakker, De Leeuw-Wijmen)

© mr. F.J. Van Eeckhoutte, ICT/IE-advocaat, Amersfoort
www.vaneeckhoutteadvocaten.nl