Fiscale aspecten goededoelenstichting

De goededoelenstichting moet voldoen aan een aantal van te voren door de belastinginspecteur te Den Bosch te toetsen voorwaarden. Er moet vooraf goedkeuring worden verkregen van de belastingdienst. Goedkeuring van de fiscus is ook vereist bij wijziging van de statuten.

Over schenkingen aan een goededoelenstichting is geen schenkingsrecht verschuldigd. Dat geldt, tenzij aan de schenking of gift een last is verbonden die ervoor zorgt dat de verkrijging niet meer het karakter heeft van een schenking van het algemeen belang. Doordat de goededoelenstichting geen schenkingrecht verschuldigd is, hoeft zij dus geen aangifte te doen.

De goededoelenstichting moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. De stichting moet gevestigd zijn in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba;
b. Het bestuur moet statutair bestaan uit tenminste 3 bestuursleden met gelijke stemmen. Dus eenieder heeft 1/3 stem;
c. De oprichter kan slechts een minderheidspositie in het stichtingsbestuur innemen. De feitelijke samenstelling van het bestuur dient dusdanig te zijn dat tenminste 2/3 deel van het bestuur geen familie (gehuwd of samenwonend) van Oprichter is. Het bestuur bestaat dus uit een oprichter en 2 neutrale derden.
d. Er mag geen winst worden gegenereerd. De stichting mag wel omzet genereren wat zij kan aanwenden om haar doestelling te bereiken.

Bij liquidatie van de goededoelenstichting dient het eventueel batig saldo besteed te worden in overeenstemming met het doel van die stichting of besteed te worden aan een ander algemeen belang beogende instelling.

Wat is een goed doel

De goededoelenstichting moet als statutaire doelstelling en als feitelijke werkzaamheden hebben: het dienen van een algemeen belang of algemeen nut.

Dat kan variëren van aidsbestrijding, culturele goede doelen tot natuurbescherming, zolang het maar past in de geformuleerde doelstellingen van de stichting. Streven is natuurlijk om die doelstelling flexibel op te stellen.

Indien de goededoelenstichting feitelijk niets anders doet dan vermogensvorming en/of -beheer voldoet zij niet aan de statutaire doelstellingen. Indien een instelling middelen heeft om door bepaalde werkzaamheden de verwezenlijking van haar doelstellingen naderbij te brengen, maar dit nalaat, is er in beginsel sprake van strijd met de statuten en het algemeen belang. Of dat het geval is, is een vaststelling van feitelijke aard die uiteindelijk is voorbehouden aan de rechter.

Het algemeen belang of algemeen nut houdt niet per definitie in dat bij de feitelijke werkzaamheden in het geheel geen particulier belang zou mogen worden nagestreefd. Het algemeen belang dient echter ten minste in gelijke mate gediend te worden als het particuliere (lees: oprichters) belang. Dit zou de oprichter bijv. kunnen bereiken door in de statuten op te nemen dat gestreefd wordt de schatten van de oprichter aan musea of exposities of aan openbare gelegenheden ter beschikking te stellen.

Bij de belastingdienst kan Van Eeckhoutte navragen of de gewenste goededoelenstichting kan worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (ANBI).

Schenkingen aan de goededoelenstichting

De goededoelenstichting kan roerende zaken verkrijgen door feitelijke schenking of door koop.

De belastingdienst spreekt van schenking als een schenking de stichting uit vrijgevigheid bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen. De schenking kan bestaan uit het geven van geld of van een (waardevol) voorwerp, zoals sierraden, schilderij of antieke kast.

Fiscale voordelen schenking door de oprichter privé

Onder bepaalde voorwaarden mag de schenker (vaak de oprichter privé) de giften aan de goededoelenstichting in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen.

Periodieke giften. Indien de oprichter (privé) schenkt via een periodieke uitkering dan gelden er geen drempels en geen maxima voor aftrek. De aftrek vindt plaats eerst in box 1 (werk en woning). Door de verarming bij de oprichter is er aan het eind van het jaar minder vermogen, waardoor bespaard wordt op de vermogensrendementsheffing. In tweede instantie vindt aftrek plaats in box 3. Aan dat aftrekvoordeel zijn de volgende voorwaarden verbonden:
a. De oprichter doet de schenkingen in de vorm van een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering die uiterlijk eindigen bij zijn overlijden;
b. De oprichter doet deze schenkingen minimaal 5 jaar achter elkaar;
c. Deze periodieke schenkingen liggen notarieel vast en
d. De oprichter vraagt geen tegenprestatie voor de gift.

Andere giften. Teneinde de schenkingen in mindering te brengen op het belastbare inkomen zal buiten het geval genoemd in de vorige paragraaf de oprichter rekening moeten houden met het volgende:

a. Schriftelijk bewijs (bijv. bankafschriften) van de schenkingen of gift;
b. Het totaalbedrag van de schenkingen moet boven de drempel van 1% van het verzamelinkomen van de oprichter uitkomen met een minimum van € 60,-;
c. Het moet gaan om een schenking aan goede doelen die door de fiscus zijn goedgekeurd (zie hierna) en
d. Maximaal 10% van Oprichter's verzamelinkomen is aftrekbaar van zijn belastbaar inkomen.

Schenking door een vennootschap

De belastingvrije giftenaftrek voor een vennootschap is beperkt tot maximaal 5% van de ondernemingswinst.

Voor de vennootschap kan in laatste instantie aftrek plaatsvinden in box 2, in die zin dat de schenking door de vennootschap (!) naast Vpb (uiteindelijk) ook een Box 2 besparing oplevert.

Herziening: situatie per 1 januari 2008

Met ingang van 1 januari 2008 ging een nieuwe fiscale regelgeving in voor alle goeddoelinstellingen. Deze nieuwe regels zijn van belang voor alle stichtingen en andere instellingen die gelden inzamelen/beheren voor een goed doel en voor alle kerken en kerkelijke instellingen.

Vanaf 1 januari 2008 worden slechts die instellingen als goeddoelinstellingen aangemerkt die als zodanig zijn aangewezen bij beschikking van de inspecteur. Alleen de instellingen die een beschikking hebben zijn volledig vrijgesteld van schenkings- of successierecht over ontvangen schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen. Tevens is over uitkeringen - in het algemeen belang - van instellingen met een beschikking geen schenkingsrecht meer verschuldigd.

Particulieren kunnen vanaf 2008 alleen giftenaftrek krijgen voor de inkomstenbelasting voor giften aan een instelling die is aangemerkt bij beschikking. Dit geldt ook voor bedrijven in de vennootschapsbelasting.

Goeddoelinstelling

Onder een goeddoelinstelling wordt verstaan: in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen.

De regelgeving is van toepassing op alle goeddoelinstellingen en derhalve ook op de met name genoemde instellingen zoals kerken en levensbeschouwelijke instellingen.

Wijziging

De belangrijkste wijziging is dat algemeen nut beogende instellingen met ingang van 1 januari 2008 voor de toepassing van de fiscale faciliteiten een beschikking nodig zullen hebben. In de nieuwe regelgeving zijn de voorwaarden opgenomen die in elk geval door de inspecteur worden gesteld bij het aanmerken van algemeen nut beogende instellingen.

Bij het aanmerken van een instelling als algemeen nut beogende instelling moeten twee aspecten worden onderscheiden:

Het eerste aspect betreft de vraag of een instelling gezien haar doelstelling als algemeen nut beogende instelling kan worden beschouwd. Voor toegang tot de fiscale faciliteiten is bepalend of kwalitatief en kwantitatief sprake is van een algemeen nut beogende instelling. De nieuwe regelgeving brengt geen veranderingen met betrekking tot dit eerste aspect.

Onder algemeen nut beogende instelling wordt verstaan, instellingen die ten behoeve van de samenleving werken. Dit betekent dat ze niet ten bate van één individu werken, maar van een grotere groep. Zo zal een sportvereniging meestal niet kunnen worden bestempeld als een algemeen nut beogende instelling, omdat slechts een particulier belang wordt behandeld.

Het tweede aspect betreft de vraag of de door of in de instelling bijeengebrachte middelen daadwerkelijk en controleerbaar ten behoeve van de doelstelling worden ingezet. Onderstaande voorwaarden hebben betrekking op dit aspect.

De regels hebben onder meer betrekking op de kenbaarheid en toetsbaarheid van het beleid van de instelling, het aanhouden van vermogen, de administratie en de jaarverslaggeving.

Verder gelden - naast de vraag of sprake is van een goeddoelinstelling - de volgende vereisten:

1. Een instelling mag op grond van de regelgeving van de instelling en feitelijk niet een winstoogmerk hebben.

Bij de instelling mag geen sprake zijn van een winstoogmerk. Uit zowel de officiële stukken, zoals de statuten, als de feitelijke werkzaamheden dient te blijken dat het algemeen belang op de voorgrond staat.

Nieuw opgerichte instellingen wordt de gelegenheid geboden met hun feitelijke werkzaamheid een aanvang te nemen.

2. Uit de regelgeving van de instelling en de feiten moet blijken dat noch een natuurlijk persoon, noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Dit beschikkingsmachtcriterium beoogt onder meer de onafhankelijkheid van de instelling jegens haar donateurs en begunstigden te waarborgen.

Uitgangspunt is dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon moet kunnen beschikken over het vermogen van een algemeen nut beogende instelling als ware het eigen vermogen.

De onafhankelijkheid moet niet alleen blijken uit de regelgeving van de instelling, maar ook uit de feitelijke omstandigheden. Dit betekent dat zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon geen meerderheid van de zeggenschap mag hebben binnen een instelling. Ook dit dient zowel uit de officiële stukken, als uit de feitelijke situatie te blijken.

Bij de beoordeling of feitelijk sprake is van beschikken over het vermogen kan de aanwezigheid van familierelaties (of een daarmee vergelijkbare relatie) voor de inspecteur een indicatie zijn om nader onderzoek te doen.

3. Een instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.

Op grond van dit criterium geldt voor aangemerkte instellingen een plafond ten aanzien van het te vormen vermogen.

Uitgangspunt is dat een instelling geen vermogen mag aanhouden zonder dat daar vooraf een bepaalde bestemming aan is gegeven én dat de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden, mits die voorziene werkzaamheden uiteraard verband houden met de doelstelling van de instelling.

Het criterium strekt niet ertoe de continuïteit van de werkzaamheden ten behoeve van de algemeen nuttige doelstelling in gevaar te brengen. Derhalve mogen instellingen ook rekening houden met redelijkerwijs te verwachten fluctuaties in hun verwachte inkomsten. De omvang van die inkomsten kan mede afhankelijk zijn van te verwachten rendementen. Binnen de grenzen der redelijkheid staat het instellingen uiteraard vrij te bepalen hoe eventuele reserves beheerd worden.

Ook hier geldt dat de instelling haar vermogen niet alleen rechtmatig dient te besteden, dat wil zeggen conform de statutaire doelstelling, maar ook feitelijk moet overgaan tot besteding van de bestemde gelden voor die doelstelling.

Een instelling mag uiteraard wel vermogensbestanddelen aanhouden voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van de instelling. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebedshuizen (kerk, moskee, synagoge). Daarbij gaat het immers eveneens om vermogensbestanddelen van de instelling waarvan de instandhouding voortvloeit uit de doelstelling van die instelling.

Het is echter wel toegestaan om verkregen vermogen in stand te houden als de erflater of schenker dit heeft bepaald.

4. De leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt mogen, ter zake van de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden, geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld.

De in dit onderdeel opgenomen voorwaarde heeft betrekking op de bezoldiging van en de te betalen financiële tegemoetkoming voor vacatie en gemaakte onkosten aan leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt.

Deze leden mogen ter zake van de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld.

Met vergoeding voor gemaakte onkosten wordt bedoeld een vergoeding voor kosten die leden van het orgaan redelijkerwijs moeten maken vanwege het vervullen van de functie bij de instelling.

Onder vacatiegeld wordt verstaan de vergoeding toegekend aan bestuursleden voor een vacatie, bijvoorbeeld het bijwonen van een vergadering van het orgaan van de instelling.

Deze voorwaarde heeft overigens slechts betrekking op de door de leden als zodanig verrichte werkzaamheden. Voor zover de verrichte werkzaamheden niet op de beleidsbepalende functies betrekking hebben, kan daarvoor wel beloning door de instelling plaatsvinden.

© 2007 - 2008 mr. F.J. Van Eeckhoutte, mr. R. van den Brink